Voor deze opdracht heb je de blaadjes nodig die ik via mail doorstuurde : begrippen van plaats.
(Voorbereidend werk : uitknippen van de vlinder, bloem en de kaartjes op pg 2 en 3) Klaar ?
Voor de eerste oefening neem je de vlinder en de bloem. Mama of papa zeggen waar je de vlinder moet plaatsen en jij plaatst de vlinder op de juiste plaats. Luister goed naar de opdracht, doe wat er gevraagd wordt en zeg maar luid waar de vlinder zit. (vb de vlinder vliegt boven de bloem, de vlinder zit op de bloem, de vlinder vliegt achter de bloem, de vlinder vliegt vóór de bloem, de vlinder vliegt naast de bloem). Mama of papa mogen de opdrachten verschillende keren door elkaar herhalen. Hier oefenen we op, onder, boven, naast, vóór, achter
Voor de tweede oefening heb je ook de kleine kaartjes nodig. Leg alle kaartjes op een hoopje met de tekening naar beneden. Draai één kaartje om, kijk goed waar de vlinder zit. Maak het kaartje na met jouw bloem en vlinder. Mama of papa kijken of je het goed doet. Je mag luidop zeggen waar de vlinder zit.
Veel plezier !
